Droogte drukt de opbrengst van aardappelen, uien, granen en bieten elk jaar, terwijl zoetwater schaarser wordt. Lees meer over droogteschade in de akkerbouw.
De Rekenkamer onderzocht de gevolgen van droogte en zoetwatertekorten in Nederland over een periode van 26 jaar. Daarbij is voor de landbouw gekeken naar aardappelen, akkerbouwgroenten (voornamelijk zaaiuien), granen en suikerbieten. Droogteschade wordt daarbij uitgedrukt als het verlies aan bruto-opbrengst per hectare. De berekeningen zijn gebaseerd op historische gegevens over de periode 1998 tot en met 2023.
De uitkomsten laten zien dat droogte ook gemiddeld over een lange periode een duidelijk stempel op de productie drukt. Bij aardappelen bedraagt het berekende jaarlijkse opbrengstverlies afhankelijk van de provincie 1% tot 2,1%. Voor akkerbouwgroenten, waaronder vooral uien, loopt dat uiteen van 1,1% tot 2,7%. Granen verliezen jaarlijks gemiddeld 0,9% tot 2,1% aan opbrengst. Bij suikerbieten ligt het verschil tussen de provincies met 1,5% tot 1,6% opvallend dicht bij elkaar.
Voor aardappelen rekent de Algemene Rekenkamer het effect verder door. Volgens het onderzoek neemt de Nederlandse opbrengst van consumptieaardappelen door droogte gemiddeld jaarlijks met 2,1% af. Uitgaande van de bruto-opbrengst van 45,8 ton per hectare in 2023 komt dat neer op 962 kilo aardappelen per hectare.
Over een areaal van 73.313 hectare in 2023 betekent dat volgens de Rekenkamer 70,5 miljoen kilo minder aardappelen. Tegen de aardappelprijzen van 20 tot 50 cent per kilo in dat jaar vertegenwoordigde dat een opbrengstverlies van €14 miljoen tot €35 miljoen.
Daarbij zijn de regionale verschillen behoorlijk groot. Het berekende gemiddelde verlies aan aardappelopbrengst is het kleinst in Flevoland en het grootst in Overijssel. Dat sluit aan bij de grote verschillen in de beschikbaarheid van water tussen Nederlandse teeltgebieden.
Uien nog gevoeliger
Voor uien noemt de Rekenkamer geen afzonderlijk landelijk productievolume. Ze vallen in het onderzoek onder de categorie akkerbouwgroenten, die volgens het rapport voornamelijk uit (zaai)uien bestaat. Juist bij deze categorie wordt het grootste potentiële verlies binnen de onderzochte akkerbouwgewassen gevonden. Afhankelijk van de provincie bedraagt de gemiddelde jaarlijkse opbrengstderving 1,1% tot 2,7%.
Het hoogste berekende verlies bij akkerbouwgroenten wordt met 2,7% in Groningen gevonden. Dat betekent niet dat in ieder afzonderlijk droog jaar precies zoveel uien verloren gaan. Het gaat om een statistisch berekend gemiddeld effect over een lange reeks jaren. In zeer droge seizoenen kan de schade veel groter zijn, terwijl deze in natte jaren gering kan zijn.
Ook granen en bieten leveren in
Granen blijken gemiddeld wat minder gevoelig, maar ook daar is het effect meetbaar. De jaarlijkse opbrengstderving varieert volgens de Rekenkamer van 0,9% tot 2,1%. Bij suikerbieten ligt de bandbreedte op 1,5% tot 1,6%. Daarmee kost droogte dus ook bij deze gewassen structureel kilo's, zelfs wanneer goede en slechte jaren over een lange periode tegen elkaar worden weggestreept.
De percentages lijken op zichzelf misschien beperkt, maar juist de opeenstapeling baart de Rekenkamer zorgen. Schade uit een droog jaar kan doorwerken naar het volgende seizoen wanneer bijvoorbeeld grondwaterstanden zich onvoldoende herstellen. Dat speelt nu daadwerkelijk. Na de droogte van 2025 begonnen delen van Oost- en Zuid-Nederland 2026 met een grondwatertekort. Door de opnieuw droge winter en het droge voorjaar nam het risico toe dat die tekorten verder oplopen.
Droge zomer wordt normaler
Dat maakt de uitkomsten relevanter voor de komende decennia. De Rekenkamer wijst erop dat de berekeningen zijn gebaseerd op 1998 tot en met 2023, een periode waarin nog maar een beperkt aantal extreem droge jaren voorkwam. Naar verwachting komen zulke jaren in de toekomst vaker voor. Daardoor kan ook het gemiddelde productieverlies verder toenemen. Tegelijkertijd is meer water nodig om verzilting tegen te gaan.
De KNMI-scenario's die de Rekenkamer aanhaalt, wijzen voor 2050 op 6% tot 9% meer potentiële verdamping. Het maximale neerslagtekort in de periode april tot en met september kan 13% tot 35% groter worden. Een zomer die nu als extreem droog geldt, kan volgens het rapport in de toekomst daardoor veel normaler worden.
Maatregelen lopen achter
Tegelijkertijd loopt Nederland achter bij maatregelen die de beschikbaarheid van zoetwater moeten verbeteren. Bijna driekwart van de 28 onderzochte maatregelen uit de eerste fase van het Deltaprogramma Zoetwater liep vertraging op. Bij maatregelen in het hoofdwatersysteem bedroeg die gemiddeld drie jaar en bij regionale maatregelen 2,4 jaar.
Dat is volgens de Rekenkamer extra problematisch omdat droogteschade ondertussen doorgaat. De minister van Infrastructuur en Waterstaat erkent bovendien dat watertekorten steeds moeilijker alleen met ingrepen in het watersysteem zijn op te lossen. Gebruikers moeten zich volgens hem daarom eveneens voorbereiden op en aanpassen aan watertekorten.
Voor de landbouw betekent dat dat voldoende zoetwater steeds nadrukkelijker een productiefactor wordt. Beregenen kan een deel van het opbrengstverlies beperken, maar juist in perioden waarin de behoefte het grootst is, neemt de beschikbaarheid van zoet oppervlakte- en grondwater af. Bovendien neemt bij droogte de verzilting toe, wat de beschikbaarheid van geschikt beregeningswater in met name kustgebieden verder onder druk kan zetten.