De graanexport vanuit de Oostzeelanden kan flink groeien, maar de beschikbare havencapaciteit en de binnenlandse vraag stellen grenzen. Lees meer over de exportgroei en logistiek in de Oostzeeregio.
Vooral Polen en de Baltische staten kunnen hun positie op de internationale graanmarkt versterken, meent RaboResearch in een nieuw rapport over de kansen van de graanproductie in de landen rond de Oostzee. Daarbij wordt wel opgemerkt dat investeringen in havens en opslagcapaciteit noodzakelijk zijn om de grotere graanstromen te verwerken.
De graanproductie in de landen rond de Oostzee is de afgelopen twintig jaar flink gegroeid. Vooral Polen, Litouwen, Letland en Estland hebben hun productiecapaciteit uitgebreid. Volgens het rapport van RaboResearch zet deze ontwikkeling de komende tien jaar door. De bank verwacht dat de gezamenlijke graanproductie van zeven landen rond de Oostzee in 2035/36 kan oplopen tot 71 miljoen ton. Dat is ongeveer 16% meer dan het gemiddelde van 2023 tot en met 2025.
Het onderzoek van de bank richt zich op Polen, Litouwen, Letland, Estland, Denemarken, Zweden en Finland. Samen produceren deze landen nu ongeveer 61 miljoen ton graan per jaar. Daarnaast worden oliehoudende zaden geteeld, waarvan koolzaad veruit het belangrijkste gewas is.

Tarwe blijft belangrijkste exportproduct
Tarwe vormt de ruggengraat van de graanproductie en -export in de regio. De zeven landen zijn gezamenlijk goed voor ongeveer 12 miljoen ton tarwe-export per jaar. Daarmee vertegenwoordigen ze circa 5% van de wereldwijde tarwehandel. De exportwaarde bedraagt naar schatting $2,8 miljard.
De landen rond de Oostzee exporteren gezamenlijk netto ongeveer 18 miljoen ton graan per jaar. Polen, Litouwen en Letland nemen samen 80% van de regionale graanexport voor hun rekening. Polen is veruit de grootste producent, maar heeft tegelijkertijd een omvangrijke binnenlandse afzetmarkt voor voedingsmiddelen, veevoer en industriële toepassingen.
Litouwen, Letland en Estland zijn veel sterker afhankelijk van de export. Deze landen hebben samen met Polen bovendien een stevige positie opgebouwd in de handel in tarwe met een hoog eiwitgehalte.
De tarwe-export richt zich voor 65% op bestemmingen buiten de Europese Unie. De overige 35% gaat naar Europese landen met een tekort aan graan. Bij maïs ligt dat anders. De jaarlijkse maïsexport bedraagt gemiddeld 3,4 miljoen ton, waarvan maar liefst 97% binnen de EU blijft. Polen is daarbij de belangrijkste exporteur.
Afrika wordt steeds belangrijker
Vooral de groeiende vraag naar tarwe in Afrika biedt volgens Rabobank mogelijkheden. Van de tarwe die de Oostzeelanden de afgelopen drie jaar exporteerden, ging gemiddeld 57% naar landen ten zuiden van de Sahara.
De bank verwacht dat deze afzetmarkt de komende tien jaar verder groeit. De bevolking neemt toe, steden worden groter en de vraag naar graanproducten stijgt. Tegelijkertijd is de eigen graanproductie in veel Afrikaanse landen onvoldoende om aan de binnenlandse behoefte te voldoen.
De Oostzeelanden hebben daarbij het voordeel dat ze al handelsrelaties met Afrikaanse importeurs onderhouden. Vooral West-Afrika is vanuit de havens aan de Oostzee relatief goed bereikbaar. Daarmee kunnen de landen hun positie op de internationale tarwemarkt verder versterken.
Oorlog verandert graanstromen
De oorlog tussen Rusland en Oekraïne heeft de strategische betekenis van de Oostzeehavens vergroot. Sinds de Russische invasie in 2022 zoeken Oekraïense exporteurs alternatieve routes wanneer de uitvoer via de Zwarte Zee wordt belemmerd. Een deel van het Oekraïense graan wordt daarom via Polen en Litouwen verscheept.
Sinds augustus van dit jaar probeert ook Rusland meer graan via de Oostzee te exporteren. De problemen met de traditionele uitvoerroutes via de Zwarte Zee maken alternatieven aantrekkelijker. De mogelijkheden zijn echter beperkt.
In het graanseizoen 2025/26 werd via Russische havens aan de Oostzee slechts ongeveer 1 miljoen ton graan uitgevoerd. De totale Russische graanexport over zee bedroeg ongeveer 46 miljoen ton. Ongeveer 90% daarvan verloopt normaal gesproken via de Zwarte Zee. De Oostzeeroutes kunnen de uitvoer via de Zwarte Zee dan ook niet vervangen.
Export kan naar 30 miljoen ton groeien
Rabobank verwacht dat de totale graanexport van de zeven Oostzeelanden in 2035/36 kan oplopen tot ongeveer 30 miljoen ton. Dat is een forse uitbreiding ten opzichte van het gemiddelde van ongeveer 20 miljoen ton in de periode 2023 tot en met 2025.
Om deze groei mogelijk te maken, zijn aanzienlijke investeringen nodig. Daarbij gaat het niet alleen om uitbreiding van de havencapaciteit, maar ook om opslagplaatsen, graaninzameling en transportverbindingen vanuit de productiegebieden.
In verschillende havens zijn dergelijke investeringen al in gang gezet. Zo worden terminals in het Poolse Gdynia en het Letse Riga gemoderniseerd en uitgebreid. Ook in Gdansk in Polen en Klaipeda in Litouwen zijn uitbreidingsprojecten aangekondigd of gestart.
Het transport vormt daarbij een belangrijk aandachtspunt. Anders dan bijvoorbeeld in het stroomgebied van de Donau beschikt de Oostzeeregio over relatief weinig grote, goed bevaarbare rivieren. Graan wordt daardoor voornamelijk over de weg en in mindere mate per spoor vervoerd. Dat maakt efficiënte logistiek extra belangrijk om op de wereldmarkt concurrerend te blijven.
Het verloop van de oorlog in Oekraïne blijft een belangrijke onzekerheid. Wanneer de export via de Zwarte Zee zich herstelt, kan een deel van de huidige graanstromen weer verschuiven. Toch verwacht Rabobank dat de Oostzeelanden door hun groeiende productie en exportmogelijkheden structureel een belangrijkere rol gaan spelen op de Europese en internationale graanmarkt.