Op het eerste gezicht lijkt armoede onder agrarische huishoudens in Nederland nauwelijks een probleem. Volgens de nieuwe armoedemethode van het CBS, ontwikkeld samen met het Nibud en het SCP, leefde in 2022 ongeveer 0,7% van de agrarische huishoudens in armoede. Dat is aanzienlijk minder dan het gemiddelde van alle Nederlandse huishoudens (4,0%) en ook lager dan bij huishoudens van zelfstandig ondernemers (3,3%). Het aantal agrarische huishoudens dat drie jaar achtereen in armoede leeft, is volgens deze methode verwaarloosbaar.
Deze lage armoedecijfers moeten echter worden bezien in het licht van de nieuwe meetmethode. Anders dan eerdere inkomensmaatstaven kijkt deze niet alleen naar het besteedbare inkomen, maar ook naar de aanwezigheid van direct beschikbare financiële buffers. Het gaat daarbij niet om het totale vermogen. Landbouwgrond, bedrijfsgebouwen of machines worden niet meegeteld. Het betreft middelen waarover een huishouden daadwerkelijk kan beschikken om tegenvallers op te vangen.
Agrarische huishoudens scoren volgens deze brede benadering relatief gunstig. In 2022 bedroeg het gemiddelde besteedbare huishoudinkomen €88.200, tegenover €51.200 voor alle Nederlandse huishoudens. Bovendien behoorde 56% van de agrarische huishoudens tot de hoogste inkomensgroep van Nederland en zelfs 69% tot de hoogste groep wanneer inkomen en vermogen gezamenlijk worden beschouwd. Ook in 2021 lagen de inkomens al bovengemiddeld: het gemiddelde besteedbare huishoudinkomen bedroeg toen €81.800 en 53% van de agrarische huishoudens behoorde tot de hoogste inkomensgroep.
Met deze cijfers zou je kunnen concluderen dat de gemiddelde boer financieel uitstekend boert. Die conclusie verdient echter nuancering.
In de eerste plaats is het besteedbare huishoudinkomen niet hetzelfde als het inkomen dat met het landbouwbedrijf wordt verdiend. Ongeveer 40% van het inkomen van agrarische huishoudens is afkomstig uit activiteiten buiten de landbouw. Ongeveer 30% bestaat uit looninkomsten van gezinsleden die bijvoorbeeld werkzaam zijn in de zorg, het onderwijs, de transportsector, bij loonwerkbedrijven of in bestuurlijke functies. Nog eens circa 10% bestaat uit pensioenen en uitkeringen.
Dat betekent dat ongeveer 60% van het huishoudinkomen direct samenhangt met de landbouwonderneming. Daaronder vallen niet alleen de opbrengsten uit akkerbouw, veehouderij en tuinbouw, maar ook inkomsten uit verbrede landbouw, zoals boerderijwinkels, recreatie, zorglandbouw en andere nevenactiviteiten.
In de tweede plaats zegt een hoog vermogen niet automatisch iets over de dagelijkse financiële ruimte van een huishouden. Een belangrijk deel van het vermogen van boeren zit vast in grond, gebouwen en machines en kan niet eenvoudig worden aangewend om de dagelijkse uitgaven te betalen. Een melkveehouder kan daardoor over een aanzienlijk bedrijfsvermogen beschikken, terwijl de liquiditeit beperkt is en het vrij besteedbare inkomen onder druk staat. De nieuwe armoedemethode houdt daarom vooral rekening met direct beschikbare financiële buffers en niet met het volledige bedrijfsvermogen.
Dat verschillende definities tot heel andere uitkomsten leiden, blijkt ook uit cijfers van Wageningen Economic Research. Volgens de landbouwspecifieke lage-inkomensindicator bevond ongeveer 33% van de landbouwhuishoudens zich in 2021 onder de lage-inkomensgrens. Deze indicator is echter niet bedoeld als armoedemaatstaf en is niet vergelijkbaar met de nieuwe CBS-definitie. De WUR-indicator richt zich primair op de inkomenspositie van landbouwbedrijven, terwijl de CBS-methode de financiële positie van het gehele huishouden beoordeelt. Daardoor kunnen beide cijfers naast elkaar bestaan zonder elkaar tegen te spreken.
De conclusie is dat het antwoord op de vraag of er armoede bestaat in de landbouw afhankelijk is van de gekozen definitie. Vanuit het perspectief van de brede huishoudwelvaart behoren agrarische huishoudens gemiddeld tot de financieel sterkere groepen in Nederland. Dat sluit echter niet uit dat individuele landbouwbedrijven te maken hebben met lage of sterk fluctuerende bedrijfsinkomens, beperkte liquiditeit en financiële kwetsbaarheid. Huishoudarmoede is daarmee iets anders dan een laag bedrijfsinkomen. Wie de financiële positie van boeren wil begrijpen, zal beide perspectieven naast elkaar moeten beschouwen.
Zie ook het korte video-interview over dit onderwerp.
© DCA Market Intelligence. Op deze marktinformatie berust auteursrecht. Het is niet toegestaan de inhoud te vermenigvuldigen, distribueren, verspreiden of tegen vergoeding beschikbaar te stellen aan derden, in welke vorm dan ook, zonder de uitdrukkelijke, schriftelijke, toestemming van DCA Market Intelligence.