Met het definitieve einde van de derogatie is 2026 wederom een jaar waarin er meer druk komt op de mestmarkt. Waar melkveehouders jarenlang tot 250 kilogram stikstof uit rundveemest per hectare mochten aanwenden, geldt nu de Europese norm van 170 kilogram. Die verdere stap terug in plaatsingsruimte heeft directe gevolgen, waardoor er gemiddeld genomen meer mest van het bedrijf af moet. Zo vlak voor de start van het uitrijdseizoen maken we de balans op.
Waar melkveehouders jarenlang tot 250 kilogram stikstof uit rundveemest per hectare mochten aanwenden, geldt nu de Europese norm van 170 kilogram. Die verdere stap terug in plaatsingsruimte heeft direct tot gevolg dat er gemiddeld genomen meer mest van het bedrijf af moet.
Hoewel de veestapel in Nederland krimpt, compenseert die daling het verlies aan gebruiksruimte niet volledig. "Per saldo neemt de druk op de mestafzet gewoon toe", schetst Jaap Uenk, eigenaar van adviesbureau Mestem en marktexpert op het gebied van mest.
Volgens hem draait het daarbij niet alleen om volume. "Het is niet puur een kwestie van minder of meer mest, maar vooral van regionale verhoudingen. In meerdere provincies zie je dat de afzet moeilijker wordt, omdat meer aanbieders binnen dezelfde regio op zoek zijn naar dezelfde hectares."
Waar mest uit het oosten en zuiden voorheen relatief eenvoudig werd afgezet in noordelijke akkerbouwgebieden, veranderen die verhoudingen nu zichtbaar. "Die langeafstandsstromen komen onder druk te staan", aldus Uenk. "Akkerbouwers worden steeds vaker beleverd door melkveehouders uit de eigen provincie. Dat vergroot de concurrentie en zet de transportstromen opnieuw op scherp."
Export biedt verlichting
Uenk benoemt de opvallend sterke groei van de mestexport in de afgelopen jaren. In 2025 lag het exportvolume circa 25% hoger dan in 2024. Daarmee fungeerde de export nadrukkelijk als ventiel voor de Nederlandse markt.
Volgens Uenk is de verwachting dat deze stroom in 2026 verder aantrekt. Nu de derogatie volledig is weggevallen, neemt de druk toe om mest buiten Nederland te plaatsen. Tegelijkertijd vormt export hiermee een belangrijke bijdrage aan het beheersen van het mestoverschot. Of dit structureel houdbaar is, hangt af van verwerkingscapaciteit, buitenlandse afzetmogelijkheden en prijsvorming.
Uitrijdseizoen op punt van beginnen
Komende maandag, 16 februari, start officieel het uitrijdseizoen. Daarmee wordt er gelijk ook naar de weersverwachtingen gekeken. Met nachtvorst in de loop van volgende week en enige neerslag die verwacht wordt, zal er nog niet op grote schaal uitgereden gaan kunnen worden, verwachten intermediairs.
Dat is ook zichtbaar in de DCA-ophaalbijdragen van deze week. Hoewel de mestprijzen in het zuiden licht blijven dalen, geven verschillende intermediairs aan dat de beperkte uitrijmogelijkheden voor komende week de markt voorlopig nog niet helpen. Daardoor blijft de druk op de markt, en houden de prijzen zich relatief hoog, zo klinkt het.
Regionale verschillen en het effect van krimp
Historisch gezien lopen zuidelijke provincies als Brabant en Limburg enkele jaren voor op andere regio's in prijsontwikkeling en verwerkingscapaciteit, zo stelt Uenk. Wat daar zichtbaar wordt, tekent zich vaak twee tot drie jaar later af in het oosten en midden. Daarbij wordt regelmatig gewezen op het grote aantal stoppers in het zuiden.
Volgens Uenk ligt de verklaring voor het regionale verschil niet primair bij de stoppers. De beëindigingsregelingen versnellen weliswaar de krimp, met name bij bedrijven zonder opvolger, maar veel van deze ondernemers zouden op termijn toch zijn gestopt. In de varkens- en pluimveesector gaat het vaker om strategische keuzes; in de melkveehouderij speelt bedrijfsopvolging nadrukkelijker mee.
De grote vraag blijft of die krimp voldoende is om de mestmarkt structureel in balans te brengen. Vooralsnog lijkt dat niet het geval. De beschikbare afzetruimte daalt sneller dan het aanbod krimpt, waardoor de druk op de markt aanhoudt.
Regionale verschillen blijven daarnaast sterk aanwezig in de mestmarkt. In Zuid-Nederland, met relatief grote verwerkingscapaciteit en een sterker gekrompen veestapel, ontstaan deze week lichte prijsdalingen, omdat daar iets eerder ruimte in de markt ontstaat.
In Friesland en andere regio's in Midden-Nederland, is die balans nog niet bereikt. Daar blijven meerdere mestaanbieders binnen dezelfde regio op zoek naar beperkte plaatsingsruimte, waardoor prijzen lokaal snel kunnen aantrekken. De beperkte uitrijmogelijkheden voor komende week helpen de markt daar voorlopig weinig, waardoor de druk op de markt groot blijft en de prijzen zich over het algemeen relatief hoog houden.