De wereldwijde varkensmarkt zit nog altijd in zwaar weer. Niet alleen in Europa, maar ook in China en Brazilië staan de prijzen op een laag niveau. De oorzaken verschillen per regio, maar onder aan de streep is het beeld hetzelfde: er is meer varkensvlees beschikbaar dan de markt gemakkelijk kan opnemen. Vooral de aanhoudend zwakke Chinese importvraag dwingt grote exporteurs om steeds nadrukkelijker naar alternatieve afzetmarkten te zoeken.
De Europese varkensmarkt blijft onder druk staan; met name in Noord-Europa verloopt de afzet moeizaam. In Duitsland is een groot deel van het eerdere herstel inmiddels weer verdwenen. De VEZG-notering liep in het voorjaar op tot gemiddeld €1,70 per kilo slachtgewicht in april. Eind juli daalde de notering echter weer tot €1,40.
De Spaanse markt blijft met name een belangrijke bron van onzekerheid voor de Europese markt. In Catalonië worden elke maand tientallen nieuwe uitbraken van Afrikaanse varkenspest onder wilde zwijnen vastgesteld. Eind juli ging het om 65 besmettingshaarden en 373 positief geteste wilde zwijnen in dertien gemeenten.
Hierdoor blijven Spaanse slachterijen minder vlees naar bepaalde derde landen uitvoeren en moeten zij meer product binnen Europa of op andere exportmarkten afzetten. Dat vergroot de concurrentie met aanbieders uit Duitsland, Nederland, Denemarken en Frankrijk.
Daar komt bij dat het Europese aanbod nog niet overtuigend afneemt. In de eerste vier maanden van 2026 lag de productie in de Europese Unie 2,2% hoger dan een jaar eerder. Het aantal geslachte dieren nam met 1,7% toe. Daarmee wordt het zwakke prijsniveau niet alleen veroorzaakt door een tegenvallende export, maar ook door een relatief ruime productie binnen Europa.
Chinese markt blijft zwak
Een van de belangrijkste redenen voor zowel de Europese als wereldwijde prijsdruk blijft daarnaast de uiterst zwakke Chinese varkensmarkt. Eind juli kwam de officiële Chinese marktprijs voor levende varkens uit op gemiddeld ¥10,40 per kilo. Omgerekend is dat ongeveer €1,34 per kilo. De prijs lag daarmee 5,5% lager dan halverwege juli. Van een overtuigende bodem is dus nog altijd geen sprake.
De lage prijs is vooral het gevolg van een aanhoudend ruim binnenlands aanbod. In de eerste helft van 2026 nam de Chinese varkensvleesproductie met 3,3% toe. Het aantal geslachte varkens steeg met 1,7% naar ruim 372 miljoen dieren, terwijl de totale varkensstapel eind juni met bijna 425 miljoen dieren ongeveer gelijk was aan een jaar eerder.
Ondanks langdurige verliezen lukt het China nog niet om de varkensstapel te reduceren. Daarnaast zijn veel grote Chinese varkensbedrijven de afgelopen jaren efficiënter geworden. Daardoor kan de productie hoog blijven, zelfs wanneer het aantal zeugen wordt teruggebracht.
Mede hierdoor is de beoogde grootte van de zeugenstapel wederom naar beneden bijgesteld. De Chinese overheid probeert de productie inmiddels verder af te remmen naar ongeveer 37,5 miljoen dieren. Enkele jaren geleden lag het quotum nog op 41 miljoen varkens, maar inmiddels blijkt dat de initiële verlaging naar 39 miljoen varkens onvoldoende zoden aan de dijk zet.
Ondertussen blijft de consumptievraag kwetsbaar. De economische groei is sinds de coronapandemie aanzienlijk lager dan daarvoor en als gevolg daarvan kiezen consumenten vaker voor goedkopere eiwitbronnen, waaronder pluimveevlees.
Deze combinatie maakt het exportperspectief naar China uitzonderlijk zwak. Het Amerikaanse landbouwministerie verwacht dat de Chinese invoer van varkensvlees in 2026 met ongeveer 16% afneemt. Voor Europese exporteurs komt daar bij dat Chinese antidumpingheffingen de toegang tot de markt verder bemoeilijken. China verdwijnt daarmee steeds verder als trekker van de wereldhandel.
Groei Braziliaanse varkensmarkt blijft voor druk zorgen
Ook in Brazilië staan de binnenlandse varkensprijzen zwaar onder druk. In Santa Catarina, een van de belangrijkste productieregio's van het land, bedroeg de prijs voor levende varkens begin augustus ongeveer R$4,70 per kilo. Omgerekend is dat circa €0,80 per kilo. Ook in Paraná en Rio Grande do Sul lagen de prijzen rond dit niveau.
De lage Braziliaanse prijs is niet het gevolg een zwakkere export. Integendeel, de buitenlandse afzet ontwikkelt zich juist sterk. In de eerste helft van 2026 exporteerde Brazilië ongeveer 794.000 ton varkensvlees, 10% meer dan een jaar eerder. De exportopbrengsten stegen met bijna 8% tot ongeveer $1,86 miljard. De druk komt met name van de aanbodkant.
De Braziliaanse brancheorganisatie ABPA verwacht dat de productie in 2026 met ongeveer 5% groeit naar 5,87 miljoen ton. Ook de export kan met bijna 6% toenemen, maar tegelijkertijd stijgt de hoeveelheid vlees die voor de Braziliaanse thuismarkt beschikbaar blijft met naar verwachting 4,6%. Voor Europa is dit een zeer ongunstige ontwikkeling, aangezien de extra volumes op de Europese markt hierdoor alleen tegen bodemprijzen op de wereldmarkt kunnen worden afgezet.
VS vormt uitzondering
De Verenigde Staten vormen vooralsnog de enige uitzondering op de zwakke mondiale prijstrend. De Iowa/Minnesota-notering bedroeg begin augustus ongeveer $99,01 per honderd Amerikaanse ponden karkasgewicht. Dat komt neer op circa $2,18, of ongeveer €1,89, per kilo. Daarmee ligt de Amerikaanse prijs duidelijk boven die in Europa en Brazilië.
De stevige prijs wordt gedeeltelijk gedragen door een krappe zeugenstapel. Op 1 juni telden de Verenigde Staten ongeveer 5,88 miljoen fokvarkens, 1% minder dan een jaar eerder. Het totale aantal vleesvarkens was wel iets groter. Bovendien nam het aantal biggen per worp toe. De Amerikaanse sector produceert dus efficiënter, waardoor een kleinere zeugenstapel niet automatisch tot een lagere varkensvleesproductie leidt.
Opmerkelijk genoeg schaadt het hoge prijsniveau de Amerikaanse export vooralsnog nauwelijks. In de eerste vier maanden van 2026 nam de totale uitvoer met ongeveer 4% toe. Mexico kocht 5% meer Amerikaans varkensvlees en de export naar Japan steeg met 17%. Ook de Filipijnen namen meer vlees af.
Dit betekent dat het prijsverschil tussen de Verenigde Staten en Europa nog niet tot een brede verschuiving van handelsstromen heeft geleid. Japan importeerde juist meer uit de Verenigde Staten en Brazilië, terwijl de Europese export naar het land afnam. Bestaande handelsrelaties, productspecificaties, leveringszekerheid en langlopende contracten wegen voor importeurs nog steeds zwaarder dan het prijsverschil alleen.