Op 4 juli vieren de Verenigde Staten van Amerika dat ze 250 jaar geleden afscheid namen van Engeland als moederland. Een besluit om even bij stil te staan, want het zou ook op de Nederlandse landbouw een enorme invloed hebben. Tot vandaag de dag.
Het begon andersom: Nederlandse boeren horen bij de eerste kolonisten. Toen een schip van de VOC op zoek was naar een kortere route naar Indië, ontdekte de bemanning een mooie baai en stichtte er Nieuw-Amsterdam. Later omgedoopt tot New York. Het tennistoernooi op Flushing Meadows is een mooie herinnering aan de weilanden van (Nieuw-)Vlissingen. Maar de Nederlandse regenten waren niet zo geïnteresseerd in boeren en de handel in beverbont. Ze ruilden het voor Suriname, daar was met slaven en suiker meer te verdienen.
Europa overspoeld door goedkoop graan
Amerika was een leeg land: grond genoeg en arbeid te kort. In de 19e eeuw trokken miljoenen mensen uit het overbevolkte Europa naar deze nieuwe wereld, hopend op een betere toekomst. Rond 1850 waren er 500.000 per jaar bereid om de risico's te nemen. De pioniers begonnen noodgedwongen met boerderijen, vooral gericht op zelfvoorziening. Vergeleken met Europa was het geen hoogstaande landbouw. Totdat in het midden van die eeuw kanalen en vooral spoorwegen werden aangelegd. Toen hadden al die boeren ineens een afzetmarkt. Europa werd overspoeld door goedkoop graan.
Dat werd ook mogelijk gemaakt door mechanisatie die het probleem van te weinig arbeid te lijf ging. Zo ontwikkelde ene John Deere in 1837 een ploeg die in de prairie goed werkte. De zingende ploeg, zo noemden de boeren hem liefkozend. Cyrus McCormick maakte naam met de ontwikkeling van een door paarden getrokken graanmaaier die vanaf 1834 de sikkel verving. Ineens was maar de helft van het aantal manuren voor de oogst nodig.
Rol van prikkeldraad niet onderschatten
En in 1901 kwam de tractor. Verder moet ook de rol van het prikkeldraad en zijn effecten op het landschap niet worden onderschat. Het werd ontwikkeld om het vee van de cowboys uit het graan van de akkerbouwers te houden. Economen hebben zich nog geruime tijd afgevraagd wie van de twee je nu het best tot een verplichting tot afrasteren met prikkeldraad moest verplichten, maar dat terzijde. In de praktijk gebeurde het soms door de veeboeren, soms door de graantelers.
In de jaren zeventig van de 19e eeuw leidde die graanexport tot een Europese landbouwcrisis, er was te veel graan. De meeste Nederlandse boeren waren akkerbouwers, ze hielden vee voor de mestproductie. Boter- en kaasproductie vond je vooral op veen en de zware klei. Op de zandgronden was boter eerder een bijproduct, het vee werd voor de mest gehouden, die op de es in de roggeteelt werd aangewend. Het Amerikaanse graan maakte van de akkerbouwers op de zandgronden veehouders die hun eigen voer teelden en een zuivelcoöperatie oprichtten.
Buffer tegen het rode Russische gevaar
Na de Tweede Wereldoorlog zouden de in Amerika gangbare en doorontwikkelde machines ook de Europese boerderijen bereiken. Toen werd ook hier arbeid zo schaars en duur, dat de aanschaf loonde en zou helpen in schaalvergroting en kostprijsverlaging. Ook in de jaren zestig zouden de Verenigde Staten grote invloed hebben op de Nederlandse landbouw. In tegenstelling tot de huidige president was Amerika toen erg pro-Europa en de Europese Gemeenschap.
In de Koude Oorlog was Europa een mooie buffer tegen het rode Russische gevaar. Het Europese landbouwbeleid mocht er komen, maar wel onder de voorwaarde dat er geen heffingen kwamen op Amerikaans veevoer, met name het overschot aan citruspulp, sojaschroot en andere (bij)producten. Dat leidde tot een grote importstroom, die bekend werd als het Gat van Rotterdam. Met als gevolg dat de varkenshouderij in Europa verschoof van gebieden met veel veevoerteelt naar streken rond de havens. Waar ook de melkveehouderij kon worden geïntensiveerd.
Geringe aandacht voor pacht
Er is nog een andere kwestie die me opviel toen ik de geschiedenis van de Amerikaanse landbouw nog eens doornam aan de hand van de klassieke studie van Willard Cochrane (The Development of American Agriculture, 1979) doornam. Dat is de geringe aandacht voor pacht. Er was zoveel land in de Nieuwe Wereld dat de overheid voor een habbekrats beschikbaar stelden (als men het zich niet al gewoon toe-eigende), dat een boerderij in die tijd automatisch een gezinsbedrijf was dat zelf alle arbeid en kapitaal leverde en de grond in eigendom had.
Dat was de echte family farm, die even sterk in het Amerikaanse collectieve geheugen staat gegrift als de cowboy. Terwijl Europa veel bedrijven kende die grond pachtten van de oude adel of de beleggers en kooplieden die in polders en droogmakerijen hadden geïnvesteerd. Die boeren hadden commerciële bedrijven met een aantal personeelsleden, van de melkers en de meid voor de kaasproductie tot soms wel 25 losse en vaste krachten op een akkerbouwbedrijf. Die bedrijven waren vrij flexibel want in een periode van lage prijzen schroefden ze de kosten en de productie terug door personeel te ontslaan. Zo gingen Friese melkveehouders bij langdurig slechte zuivelprijzen over tot het telen van hooi voor de paarden in de grote steden met de inzet van Duitse hannekemaaiers.
Europese boeren afhankelijk van hun technologie
Die tijd is voorbij, de mechanisatie heeft ook van die bedrijven gezinsbedrijven gemaakt. Familiebedrijven, zo lees ik ook steeds vaker. Maar wie dat schrijft, heeft de Amerikaanse geschiedenis niet begrepen of spreekt slecht Engels. Want de pioniers van 250 jaar geleden lieten hun relatives (familie) achter in Europa om met hun gezin (family) de wildernis in de nieuwe wereld te ontginnen. Ze bevochten hun onafhankelijkheid en na verloop van tijd zouden de Europese boeren afhankelijk worden van hun technologie, hun veevoer en hun geopolitieke macht.
© DCA Market Intelligence. Op deze marktinformatie berust auteursrecht. Het is niet toegestaan de inhoud te vermenigvuldigen, distribueren, verspreiden of tegen vergoeding beschikbaar te stellen aan derden, in welke vorm dan ook, zonder de uitdrukkelijke, schriftelijke, toestemming van DCA Market Intelligence.