Het volume van de industriële productie in ons land lag in mei 4,6% hoger dan een jaar eerder. Dat is niet mis. In de twee voorafgaande maanden was het zelfs 5,7%, respectievelijk 6,8% geweest volgens de opwaarts herziene cijfers. Ten opzichte van de landen om ons heen en de eurozone als geheel is dat opvallend hoog.
De verschillen per sector zijn groot. Het grootst was de stijging in de machinebouw: +26,2%. Uiteraard levert ASML (uit Veldhoven) hier de belangrijkste bijdrage. Maar ook ASM (Almere) en BESI (Duiven) deden ongetwijfeld vrolijk mee en ik weet niet of Nexperia (Nijmegen) hier ook onder valt. We mogen ons gelukkig prijzen zulke bedrijven binnen onze landsgrenzen te hebben.
Voor de aardigheid heb ik de productie-indices voor de machinebouw en de chemie in de grafiek hierboven afgebeeld op dezelfde schaal. Wie een oppervlakkige blik werpt op de grafiek denkt wellicht dat de productie in de chemie niet veel verandert. Niets is minder waar.
Ten opzichte van een jaar eerder produceerde de sector in mei circa 4,5% minder en vergeleken met de productiepiek zo'n tien jaar geleden zelfs ruim 30% minder. Dat die productiedaling in de grafiek weinig spectaculair lijkt, komt uiteraard door de nog veel spectaculairdere stijging van het productievolume in de machinebouw. Anders gezegd, dankzij onze 'chippers' deinen we vrolijk mee op de mondiale tsunami van investeringen in kunstmatige intelligentie.
Buiten de machinebouw houdt het bepaald niet over. Eigenlijk is de situatie ronduit verontrustend. Het volgende plaatje is gekopieerd uit het nieuwsbericht van het CBS. Daarin heeft het CBS de ontwikkeling van het productievolume van de acht grootste industriële sectoren opgenomen.
Bij de machinebouw dus een forse plus, maar de andere zeven produceerden minder dan een jaar eerder! Als beleidsmaker in Den Haag zou ik me zorgen maken en me afvragen hoe dat kan. Zou er toch iets schorten aan ons ondernemings- en vestigingsklimaat? Ik krijg niet bepaald de indruk dat men zich er in de politiek erg druk over maakt.
Er rest ons weinig anders dan hopen en bidden dat de chippers in ons land blijven. Ze leveren hoogwaardige arbeidsplaatsen met uitzonderlijk hoge arbeidsproductiviteit en daardoor een onevenredig grote bijdrage aan de toegevoegde waarde die in ons land wordt geproduceerd.
Gedetailleerde blik op inflatie
De inflatie in ons land is in juli uitgekomen op 3,2%, na 2,9% in juni. Vorige week meldde het CBS nog dat het voorlopige cijfer van de 'snelle raming' 3,1% was. Veel meer dan een kleine afronding was het verschil niet. Op twee decimalen nauwkeurig was het inflatiecijfer 3,16%.
Het CBS verschaft een overzichtelijke indeling in vijf onderdelen: 'voeding, alcohol en tabak', 'energie incl. motorbrandstoffen', 'industriële goederen exclusief energie', 'diensten' en 'bestedingen in het buitenland'. Ik heb voor de verandering maar een keer de jaar-op-jaar prijsstijging van deze vijf groepen in afzonderlijke grafieken gezet.
Er wordt al maanden gewaarschuwd voor oplopende voedselprijsinflatie. Vaak meld ik dat onze voedselprijzen de wereldmarktprijzen (in euro) volgen met een forse vertraging (de hoogste correlatie, ca. 60% is te vinden bij een vertraging van acht à negen maanden.) Het verbaast mij daarom helemaal niet dat de prijsstijging van voedingsmiddelen in juni 0,0% bedroeg.
Prijzen voor voedingsmiddelen reageren ook op de energieprijzen en ook dat met een forse vertraging. Voorlopig zou ik nog bepaald geen alarmerende stijging van de voedselprijsinflatie verwachten al liggen gematigd hogere prijzen wel in het verschiet. De droogte in Europa en de branden voegen daar nog wat onzekerheid aan toe.
De grote boosdoener van het oplopen van de inflatie was de stijging van de energieprijzen. Die lagen 9,7% hoger dan een jaar eerder. In juni was dat nog 6,0%. Benzine was 21% duurder dan een jaar eerder, na 16% in juni. Diesel was 31% duurder, tegen 25% in juni.
De elektriciteitsprijzen liggen al het hele jaar onder het niveau van 2025, maar met een min van 0,9% was de daling in juli het kleinst dit jaar. Gasprijzen lagen voor het eerst sinds januari boven het niveau van dezelfde maand vorig jaar. De gasprijs steeg 3,6% maand-op-maand en 2,8% jaar-op-jaar. In juni was nog sprake geweest van een daling van 1,7% jaar-op-jaar.
De prijzen van zaken die landgenoten kopen in het buitenland wegen in de inflatiemand beperkt mee (5%). Motorbrandstoffen maken ongetwijfeld een relatief groot deel uit van die uitgaven. De prijsontwikkeling van de bestedingen in het buitenland vertoont dan ook een hoge correlatie (81% over de periode sinds 2011) met de categorie 'energie incl. motorbrandstoffen'.
Als de Straat van Hormuz opengaat en de oliemarkt normaliseert, zullen de olieprijzen ongetwijfeld dalen, waardoor de prijsstijging van 'energie inclusief motorbrandstoffen' zal omslaan in een prijsdaling. Dat zal ook terug te zien zijn in de prijsontwikkeling van bestedingen in het buitenland.
De prijsstijging van 'industriële goederen exclusief energie' is de laatste vijftien jaar meestal onder de 2%-inflatiedoelstelling van de ECB gebleven en soms zelf negatief geweest. De pandemie vormde een uitzondering. De logistieke verstoringen van die jaren stuwden de prijsstijging op, terwijl de energieprijsstijging in 2022 geen goed gedaan zal hebben.
Momenteel wordt gevreesd voor nieuwe logistieke verstoringen en ook de energieprijzen zijn gestegen. De prijsstijging van industriële goederen is in juli iets versneld en dat kan de komende maanden nog wat verder doorlopen. Ik ben er heilig van overtuigd dat deze prijsstijging uiteindelijk terug zal vallen. De reden daarvoor is dat de industrie mondiaal te maken heeft met overcapaciteit.
Bijna een derde van alle industrieel geproduceerde goederen komt uit China. Door de aanhoudende vastgoedcrisis in dat land groeien de consumptieve bestedingen daar slechts mondjesmaat. De industriële productiecapaciteit groeit sneller zodat overcapaciteit ontstaat. China rest weinig anders dan stevig in te zetten op export. Het kan niet anders dan dat dit op middellangetermijn de prijzen van industriële goederen verder onder druk zet.
De belangrijkste bijdrage aan de relatief hoge inflatie komt van diensten. De onderstaande grafiek werpt een interessant licht op de diensteninflatie. In de ruim tien jaar tot in 2022 schommelde de diensteninflatie tussen 0% en 3%. Maar sindsdien ligt de diensteninflatie structureel boven 4%, al is de trend licht dalend. Met een gewicht van 51% in de inflatiemand duwt dat het totale inflatiecijfer alleen al boven 2%.
De categorie 'diensten' is divers. Er zijn veel arbeidsintensieve diensten, waardoor de loonontwikkeling een belangrijke invloed heeft. De volgende grafiek laat de loonstijging zien die volgens werkgeversorganisatie AWVN in nieuwe cao's overeen is gekomen. Het verband met de diensteninflatie is sterk, maar de beïnvloeding zal wel wederzijds zijn.
De arbeidsmarkt ontspant enigszins en de loonstijging vertraagt iets. Ik verwacht dat dit proces zich zal voortzetten waardoor de diensteninflatie op middellange termijn zal afnemen. Overigens is arbeidsmarkt in Nederland krapper dan in andere eurolanden. De volgende grafiek suggereert dat de loonstijging in ons land sinds een paar jaar ook hoger is dan in andere eurolanden, al heeft de hier afgebeelde variabele (loonstijging in advertenties volgens Indeed) geen lange 'track record'.
Huren hebben een groot gewicht in de inflatiemand (19%) en maken dus, pak 'm beet, 38% van de diensteninflatie uit. De huurmarkt is in ons land zwaar gereguleerd. In juli waren de huren (of de kosten van huisvesting) 4,3% hoger dan een jaar eerder. In juni was dat nog 4,7%.
De wat lagere huurstijging drukte de inflatie zodoende met iets minder dan 0,1%-punt. Dat viel mij nogal tegen. De maximaal toegestane huurverhoging (gewogen gemiddelde van sociale huur, middenhuur en vrije sector) was in 2025 zo'n 5,3% en dit jaar 4,4%. De feitelijke huurstijging lag dit jaar dus duidelijk dichter bij de maximaal toegestane stijging dan vorig jaar.
O ja, deze week werden ook in de VS inflatiecijfers over juli gepubliceerd. Maand-op-maand stegen de prijzen slechts 0,1%, na een daling van 0,4% in juni. De jaar-op-jaar stijging viel terug van 3,5% in juni naar 3,4% in juli. De kerninflatie viel terug van 2,6% naar 2,5%.
Als de trend in deze cijfers doorzet, kan ik me niet voorstellen dat de Fed de rente dit jaar nog verhoogt. De spelers op de financiële markten denken van wel. Maar inmiddels houden die ook nog slechts rekening met één renteverhoging dit jaar.
Afsluitend
De industriële productie in ons land groeit hard, maar dat is volledig te danken aan de machinebouw. Meer dan de helft van alle sectoren die het CBS onderscheidt boekte een productieverlies ten opzichte van een jaar eerder. Van de acht grootste sectoren daalde het productievolume zelfs in zeven.
De inflatie in ons land is opgelopen tot 3,2%. De energieprijzen en de diensteninflatie zijn de boosdoeners. Ik denk dat die inflatiedruk gaat afnemen, maar de voedselprijsinflatie zal wel wat toenemen, al denk ik niet heel snel en niet heel veel. Als de geleidelijke daling van de loonstijging doorzet, zal de inflatie in z'n totaliteit ook wel dalen. De vooruitzichten zijn niet ongunstig in mijn optiek.
De Amerikaanse inflatie viel ook in juli mee, nadat dit in juni eveneens het geval was. Dat vermindert de kans dat de Fed de rente voor het einde van het jaar nog verhoogt. Ik denk dat ze dat niet zullen doen.
© DCA Market Intelligence. Op deze marktinformatie berust auteursrecht. Het is niet toegestaan de inhoud te vermenigvuldigen, distribueren, verspreiden of tegen vergoeding beschikbaar te stellen aan derden, in welke vorm dan ook, zonder de uitdrukkelijke, schriftelijke, toestemming van DCA Market Intelligence.