De platte eindnorm van 2,6 grootvee-eenheid (GVE) per hectare treft vooral melkveehouders hard in de vee-rijke regio's. De norm werkt contraproductief voor de andere stikstofmaatregelen. De cijfers spreken voor zich en laten zien dat het om veel veehouders gaat.
In 2025 hadden 2.871 melkveebedrijven volgens het CBS een hogere veebezetting dan 2,6 gve per hectare. 38 melkveebedrijven boeren zelfs zonder eigen cultuurgrond. De gve-norm dwingt bijna een kwart van de melkveebedrijven (23,5%) tot extensivering.
Veel melkveehouders in overschotregio's
In de volgende landbouwgebieden hebben veel melkveebedrijven een veebezetting boven de 2,6 gve/ha: Twente (344), Achterhoek (271), De Kempen (151), Maaskant en Land van Cuijk (137) en de Westelijke Peel (255). In de laatste twee gebieden in Oost-Brabant heeft meer dan twee derde van het aantal melkveebedrijven meer dan 2,6 gve per hectare. In de provincies Overijssel (648 bedrijven) en Noord-Brabant (802 bedrijven) liggen de meeste intensieve melkveebedrijven. In Flevoland heeft 52% van de 160 melkveebedrijven meer dan 2,6 gve per hectare.
Als de voorgestelde norm voor grondgebondenheid niet wijzigt, staan deze melkveehouders voor de lastige keuze: minder vee gaan houden of meer grond verwerven. De vraag is of in de vee-rijke regio's de benodigde extra grond wel beschikbaar en betaalbaar is voor melkveehouders. Met veel intensieve melkveehouders in een gebied ontstaat een moordende concurrentie om meer grond. Datzelfde geldt voor het afsluiten van grondovereenkomsten binnen 25 kilometer afstand. Voor veel melkveehouders is minder vee houden of eerder stoppen dan gepland, dan de enige reële optie. De grondgebondenheidsnorm komt voor deze bedrijven neer op een verplichte sanering.
Dubbel investeren
Het afdwingen van grondgebondenheid gaat ten koste van investeringen in stalaanpassingen en monomestvergisting. Juist voor grote melkveebedrijven is vergisten van dagverse mest een interessante optie voor minder uitstoot van ammoniak en broeikasgassen. Renure uit digestaat vervangt kunstmest, geeft meer benutting van eigen mest op eigen bedrijf en vermindert de mestafzet. Het vergisten van mest is met het oog op de bijmengverplichting van groengas vanaf 2027, een hot-item. De minister noemt mestvergisting zelfs een verdienmodel voor veehouders. Maar de gve-norm frustreert echter een verdere uitrol van mestvergisters op bedrijfsniveau.
Intensieve melkveehouders zullen dus dubbel moeten investeren: èn in meer grond èn in emissie-reducerende maatregelen. Minder koeien geeft minder omzet en minder slagkracht. Het is de vraag of banken grotere investeringsrisico's in verduurzaming dan nog accepteren.
De melkveesector is in veel regio's de economische motor op het platteland voor een hele keten van aanverwante bedrijven in de agribusiness. Dat geldt overigens ook voor de 3.600 veehouderijbedrijven, volgens cijfers van RIVM, in de zones rondom de Natura 2000-gebieden waar een nog lagere norm voor veebezetting per hectare is voorgesteld. Een krimpende melkveesector gaat ten koste van veel werkgelegenheid en daarmee ook van de leefbaarheid in deze regio's. De normen voor grondgebondenheid zet het draagvlak en de uitvoering van het volledige maatregelenpakket op het spel.
© DCA Market Intelligence. Op deze marktinformatie berust auteursrecht. Het is niet toegestaan de inhoud te vermenigvuldigen, distribueren, verspreiden of tegen vergoeding beschikbaar te stellen aan derden, in welke vorm dan ook, zonder de uitdrukkelijke, schriftelijke, toestemming van DCA Market Intelligence.